
Er was eens een piepkleine poes van slechts vier maanden oud, en haar naam was Judy. Judy had zachte pootjes, een pluizige staart en ogen die glinsterden alsof er twee sterretjes in woonden. Maar het aller bijzonderste aan Judy was haar grote droom: ze wilde model worden.
Elke ochtend sprong ze voor het raam, waar de zon haar vacht liet glanzen. Dan ging ze zitten in haar mooiste pose — kopje schuin, staart netjes om haar pootjes heen — en dacht ze trots: “Ooit sta ik op de voorkant van een kattenmagazine.”
Maar Judy had het druk. Héél druk.
Ze had namelijk een broertje en een zusje die nog van alles moesten leren. Hoe je netjes uit een bakje drinkt. Hoe je op een muisje jaagt zonder over je eigen pootjes te struikelen. En vooral: hoe je niet midden in de woonkamer op het kleed gaat slapen als de stofzuiger eraan komt.
Judy deed haar best om een goede grote zus te zijn. Ze riep: “Niet doen!” als haar broertje in de gordijnen hing. Ze zuchtte diep als haar zusje weer eens in de wasmand kroop. En soms dacht ze: “Oei… misschien ben ik nog wel drukker dan een echt kattenmodel.”
Maar Judy wist één ding zeker: Zodra haar broertje en zusje groot genoeg waren om zelf op avontuur te gaan, zou zij haar droom achterna rennen.
Dan zou ze oefenen op elegante loopjes over de vensterbank. Dan zou ze haar mooiste poses trainen op het kussen in de zon. En misschien — heel misschien — zou ze op een dag zelfs een fotoshoot krijgen met een echte camera.
Tot die tijd bleef Judy oefenen, dromen en… opvoeden. Want zelfs een toekomstig topmodel moet ergens beginnen.
En Judy? Die begon gewoon thuis, in een warm mandje, met twee kleine dondersteentjes die haar elke dag een beetje geduld leerden.